Itamar

Itamar (1)

afbreking: Ita·mar, Ita·mar [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]

 
  1. jongste van de vier zonen van Aäron-1, priester, stamvader van een priestergeslacht (21x: Ex. 6:23 +, Lev. 10:6 +, Num. 3:2 +, Ezra 8:2, 1 Kron. 5:29 +);
  2. mannelijke voornaam
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Itamar(2) [ ? ]

Itamar (2)

afbreking: Ita·mar [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]

 
  1. jongste van de vier zonen van Aäron-1, priester, stamvader van een priestergeslacht (21x: Ex. 6:23 +, Lev. 10:6 +, Num. 3:2 +, Ezra 8:2, 1 Kron. 5:29 +);
  2. mannelijke voornaam
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Itamar [ ? ]
© 2010 - 2024 Alle rechten voorbehouden