Naäman

Naäman (1)

afbreking: Na·ä·man [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: verband met 'mooi, vriendelijk';  

 
  1. (klein)zoon van Benjamin-1; mogelijk identiek met Naäman-3 (4x: Gen. 46:21, Num. 26:40, 1 Kron. 8:4);
  2. legeroverste bij de koning van Aram-2; de profeet Elisa zegt hem hoe hij kan worden genezen van zijn melaatsheid of huidvraat (11x: 2 Kon. 5:1 +);
  3. afstammeling van Benjamin-1, zoon van Echud; mogelijk identiek met Naäman-1 (1 Kron. 8:7)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Naäman(2) [ ? ]

Naäman (2)

afbreking: Na·ä·man [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: verband met 'mooi, vriendelijk';  

 
  1. (klein)zoon van Benjamin-1; mogelijk identiek met Naäman-3 (4x: Gen. 46:21, Num. 26:40, 1 Kron. 8:4);
  2. legeroverste bij de koning van Aram(2)-2; de profeet Elisa zegt hem hoe hij kan worden genezen van zijn melaatsheid of huidvraat (11x: 2 Kon. 5:1 +);
  3. afstammeling van Benjamin-1, zoon van Echud; mogelijk identiek met Naäman-1 (1 Kron. 8:7)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Naäman [ ? ]
© 2010 - 2024 Alle rechten voorbehouden