Abichaïl

afbreking: Abi·cha·ïl [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: '(mijn) vader is kracht';  

 
  1. afstammeling van Levi-1, vader van Suriël (Num. 3:35);
  2. vader van Ester(2)-1 (Est. 2:15, 9:29);
  3. afstammeling van Gad-1, zoon van Churi (1 Kron. 5:14)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Avichajil [ ? ]
© 2010 - 2024 Alle rechten voorbehouden