Abihaïl

afbreking: Abi·ha·ïl [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]

 
  1. vrouw van Abisur (1 Kron. 2:29);
  2. kleindochter van Isaï, dochter van Eliab-3, moeder van Machalat, schoonmoeder van Rechabeam (2 Kron. 11:18)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Avihajil [ ? ]
© 2010 - 2024 Alle rechten voorbehouden