sjaleten

afbreking: sja·le·ten [ ? ]
vervoeging: sja·let·te, ge·sja·let
[uitspraak: sjalətte]
 
herkomst: Jiddisj [ ? ]

  treuzelen, niet opschieten, blijven plakken [ ? ]

zie ook: sjalet  
© 2010 - 2024 Alle rechten voorbehouden