Soekot

Soekot (1)

afbreking: Soe·kot [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: 'hutten';  

 
  1. plaats in het gebied van Gad-3, bij de Jabbok (14x: Gen. 33:17, Joz. 13:27, Recht. 8:5 +, 1 Kon. 7:46, Ps. 60:8 +, 2 Kron. 4:17);
  2. plaats ten oosten van de delta van de Nijl, halteplaats van de Israëlieten tijdens hun tocht uit Egypte naar Kanaän (4x: Ex. 12:37, 13:20, Num. 33:5, 33:6)
[ ? ]

  Soekot  
verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Sukkot [ ? ]

Soekot (2)

afbreking: Soe·kot [ ? ]
herkomst: Hebreeuws [ ? ]
letterlijk: 'hutten';  

  Loofhuttenfeest, op 15-21 tisjri, ter herdenking van de tocht door de woestijn, toen het volk in hutten leefde (Lev. 23:39-43); andere benamingen: Chag; Chag Haäsief [ ? ]

verwant: Jiddisj: Soekes [ ? ]
© 2010 - 2024 Alle rechten voorbehouden