synagoge, synagoog

afbreking: sy·na·go·ge, sy·na·goog [ ? ]
lidwoord: de  
meervoud: sy·na·go·gen, sy·na·go·ges  
herkomst: Grieks [ ? ]

 
  1. gebouw voor joodse godsdienstige bijeenkomst;
  2. joodse gemeente
[ ? ]

spelling: 'synagoge, synagoog' is een taalvariant (zie help 7.1.5)  
zie ook: beet haknesset, beet knesset, beet tefila, beis haknesses, beis knesses, esnoga, mikdasj meat, sjoel, sjtiebel, snoge  
© 2010 - 2024 Alle rechten voorbehouden