Seruja

afbreking: Se·ru·ja [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'met mastiek geparfumeerde';  

  dochter van Isaï, (half)zuster van David-1, moeder van Joab-1, Abisai en Asaël-1 (26x: 1 Sam. 26:6, 2 Sam. 2:13 +, 1 Kon. 1:7 +, 1 Kron. 2:16 +) [ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Tseroeja [ ? ]
© 2010 - 2024 Alle rechten voorbehouden